Quercus petraea

Decoratief blad Opvallende herfstverkleuring Lichte schaduw Zure grond Kalkhoudende grond Droge standplaats Bladverliezend Groot Decoratieve schors Volle zon

Description

Quercus petraea, de Wintereik, is net als de Zomereik (Q. robur) inheems in het grootste deel van Europa. In België en Nederland komt hij veel minder voor dan de Zomereik. Een mogelijke verklaring is dat de wintereik minder eikels produceert dan de zomereik, en daarom vroeger minder werd aangeplant. Vooral in Groot-Brittannië, Frankrijk, Polen en Duitsland zijn fraaie, oude Wintereiken en bossen met wintereik te vinden.
De stam van de Wintereik loopt door tot hoog in de kroon, deze is smaller en dichter dan bij de Zomereik. Ook is de vertakking meestal minder kronkelig en hoekig. De kroon maakt een geslotener en regelmatiger indruk.
Het verschil tussen Wintereik en Zomereik is vooral te zien aan de eikels die bij de wintereik dicht op elkaar in een bladoksel zitten, terwijl ze bij de zomereik lange stelen hebben. Omgekeerd heeft de zomereik een kort of ongesteeld blad, de Wintereik heeft gesteeld blad. Het blad van de Wintereik is bovendien regelmatiger gelobd dan dat van de zomereik, en meestal glanzend groen terwijl dat van de Zomereik dof groen is. Bladeren van Wintereik hebben op de onderzijde twee soorten haren, stervormige en enkelvoudige. De sterharen zitten dicht over de hele bladonderzijde. De bladeren van de Zomereik zijn kaal of dragen enkelvoudige haren langs de hoofdnerf. Ook hebben wintereiken een veel regelmatiger schorspatroon dan zomereiken.
De Wintereik is een minder uitgesproken lichtminnende soort dan de Zomereik. Hij groeit van nature vooral in heuvelgebieden, op humeuze, lemige en matig zure zandgronden en droge, stenige bodems ('petraea' verwijst naar 'op rotsen groeiend').  Wintereiken kunnen niet tegen wateroverlast en groeien steeds buiten het bereik van grondwater. In cultuur heeft hij een voorkeur voor goed ontwaterde gronden in gebieden met een vrij hoge neerslag.
De Wintereik groeit in zijn jeugd langzamer dan de Zomereik, maar haalt deze achterstand op latere leeftijd weer in. Hij kan net als de Zomereik gemakkelijk 4 à 500

Shape

  • Growing habit: Groeit uit tot imposante boom met dikke, rechte stam die doorloopt tot hoog in de kroon. De kroon is zwaar vertakt, eerst breed eirond, later meer rond en regelmatiger van vorm en iets smaller dan Q. robur.
  • Height: 20-40 meter
  • Width: 15-25 m
  • Vigour: traag
  • Root system: Matig gevoelig voor verharding en verdichting

Leaf

  • Shape: Omgekeerd eirond, de bladhelften vormen elkaars spiegelbeeld. De grootste breedte van het blad ligt ongeveer in het midden, 8-15 cm; Symmetrisch gelobd, met 4 - 6 afgeronde insnijdingen; Het blad is kaal, onderkant vooral langs nerven behaard; de bladvoet is wigvormig zonder oortjes. De bladsteel is lang. Enigszins leerachtig.
  • Color: bij uitlopen geelgroen, later glanzend donkergroen
  • Fall color: geel- tot roestbruin
  • Special features: loopt iets vroeger uit dan de zomereik en het blad blijft s winters grotendeels aan de boom

Flower

  • Shape: Mannelijke katjes ijl, hangend, 2-4 cm lang; vrouwelijke bloemen op zeer korte steel met 2 tot 5 in trosjes bij elkaar in de oksels; bloemdek 6-tallig, meeldraden en bloemdekslippen ongeveer even lang.
  • Color: Geelbruin, vrouwelijke bloemen hebben donkerrode stempels
  • Point of time: mei, voor het blad
  • Special features: Eenhuizig. De mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in aparte bloeiwijzen op de boom voor. Bloeit een tweetal weken later dan de zomereik.

Fruit

  • Shape: Napjes met 1,5-2,5 cm lange eikels, fijn behaard; staan met 1 tot 5 bijeen, vaak gepaard, op de twijg of op een korte, gemeenschappelijke steel. Het napje heeft platte, overlappende schubben.
  • Color: grijsgroen, donkerbruin bij afrijpen
  • Point of time: Vanaf juni tot aan de winter

Stem

  • Stem / bark: De schors is grijsbruin en glad; Pas bij oudere bomen wordt de schors ondiep en regelmatig gegroefd, met alleen lengtegroeven. Twijgen groenbruin en glad. De knoppen zijn slank en spits, met lange steel.

Cultivation requirements

  • Stand: Zonnige tot licht beschaduwde standplaats
  • Ground: Geeft de voorkeur aan matig tot voedselrijke, diepe (eventueel zandige) leem- en kleibodems, zowel licht zuur als kalkrijk. Verdraagt zeer goed droogte.
  • Climate zone: 5b
  • Special features: Goed bestand tegen wind; Vrij goed bestand tegen strooizout; Verdraagt luchtvervuiling en stadsklimaat. Verdraagt goed droogte, maar is gevoelig voor wateroverlast en hoge grondwaterstand. Weinig gevoelig voor meeldauw.

Share this page