Quercus robur

Decoratief blad Opvallende herfstverkleuring Lichte schaduw Zure grond Kalkhoudende grond Bladverliezend Groot Volle zon

Description

Quercus robur, de Zomereik of Gesteelde eik, is de eik met het grootste verspreidingsgebied in Europa: hij is te vinden van Ierland en Noord-Portugal in het westen tot de Oeral, de Kaukasus en Noord-Turkije in het oosten. Hij ontbreekt slechts in het zuiden van Spanje, Sicilië, Zuid Griekenland, het noorden van Scandinavië en noordelijk Rusland.
De Zomereik heeft zich sinds de laatste ijstijd (ong. 10.000 jaar geleden) vanuit Zuid-Spanje, Zuid-Italië en het zuiden van de Balkan naar het noorden over Europa verspreid. De Nederlandse en Belgische autochtone eiken komen oorspronkelijk uit Zuid-Spanje en Zuid-Italië. Daarnaast zijn er ook veel eiken afkomstig uit verschillende buitenlandse gebieden in onze streken aangeplant.
De Zomereik wordt vaak verward met de eveneens inheemse Wintereik (Q. petraia). Het verschil is vooral te zien aan de eikels die bij de Wintereik dicht op elkaar in een bladoksel zitten, terwijl ze bij de Zomereik lange stelen hebben (vandaar ook de naam Q. pedunculata). Omgekeerd heeft de Zomereik een kort of ongesteeld blad, de Wintereik heeft gesteeld blad. Het blad van de Wintereik is bovendien regelmatiger gelobd dan dat van de Zomereik met een meer of minder wigvormige bladvoet, en meestal glanzend groen terwijl dat van de Zomereik doffer groen is. De bladvoet van de Zomereik heeft opvallende gelobde oren met omgebogen randjes. Bladeren van Wintereik hebben op de onderzijde twee soorten haren, stervormige en enkelvoudige. De sterharen zitten dicht over de hele bladonderzijde. De bladeren van de Zomereik zijn kaal of dragen enkelvoudige haren langs de hoofdnerf. Tenslotte hebben Wintereiken een veel regelmatiger schorspatroon dan Zomereiken. Waar Wintereik en Zomereik in elkaars omgeving staan, komen vaak bastaardvormen voor, zoals Q. x rosacea.
De Zomereik is zeer variabel van groeivorm. Op droge en voedselarme zandgronden komen bijvoorbeeld andere erfelijke typen voor dan op voedselrijke grond. In vrije stand ver

Shape

  • Growing habit: Groeit uit tot een imposante boom met dikke, rechte stam; Als vrijstaande boom splitst de hoofdstam onder in de kroon, in enkele zware takken, knoestig en ver uitgespreid, waardoor op de duur een brede koepelvormige tot ronde, vrij losse kroon, met vaak grillig kronkelende takken ontstaat. In gesloten bosgroepen vormt de zomereik een lange rechte stam met een hoog aangezette, relatief kleine kroon.
  • Height: 15-20 tot 30-40 meter
  • Width: 15-25 m
  • Vigour: traag
  • Root system: Gevoelig voor verharding en verdichting

Leaf

  • Shape: Omgekeerd eirond, grootste breedte zit boven het midden. Onregelmatig gelobd, met 3 - 7 diepe bochtige insnijdingen en asymmetrische vorm; 5-14 cm; Het blad is kaal, onderkant bij jong blad licht behaard, vooral rond hoofdnerf; de bladvoet is hartvormig en aan beide zijden oorvormig teruggebogen. De bladsteel is kort (minder dan 1 cm). De bladeren zitten voornamelijk in kortloten, in groepjes nabij de toppen van de twijgen.
  • Color: Bij het uitlopen roodgroen, later dof donkergroen
  • Fall color: geel- tot roestbruin
  • Special features: blad blijft s winters gedeeltelijk aan de boom. Het Sint-Janslot is aan de Zomereik een algemeen verschijnsel, d.w.z. dat in de zomer nieuw schot ontstaat. Het is te herkennen aan de geelachtige tint van het blad

Flower

  • Shape: Mannelijke katjes ijl, hangend, 2-4 cm lang; vrouwelijke bloemen op opgerichte steel met 2 tot 5 bij elkaar in de oksels; bloemdek 6-tallig, meeldraden en bloemdekslippen ongeveer even lang.
  • Color: Groengeel, vrouwelijke bloemen hebben donkerrode stempels
  • Point of time: April en mei, voor het blad
  • Special features: Eenhuizig. De mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in aparte bloeiwijzen op de boom voor.

Fruit

  • Shape: Napjes met 2 - 3 cm lange eikels, fijn behaard; staan met 1 tot 5 bijeen, vaak gepaard, op 5 - 12 cm lange steeltjes. Het napje omvat de eikel voor een derde en heeft platte, overlappende schubben.
  • Color: grijsgroen, met donkere lengtestrepen, donkerbruin bij afrijpen.
  • Point of time: Vanaf juni tot aan de winter

Stem

  • Stem / bark: De schors van jonge bomen is glad en zwak grauwgroen glanzend; Bij oudere bomen wordt de schors diep en vrij onregelmatig gegroefd en grijsgroen tot donkerbruin van kleur. Naast lengtegroeven zijn er, in tegenstelling tot bij de wintereik, ook vaak horizontale dwarsgroeven. Zeer oude eiken vertonen vaak zeer diepe groeven. Twijgen eerst roodbruin, later blauwgrijs en glad, met kleine gelige lenticellen. De knoppen zijn kort en stomp, glanzend lichtbruin en meestal kaal, maar erg variabel; ze staan in de bladoksels en in groepen aan de uiteinden van de twijgen.

Cultivation requirements

  • Stand: Zonnige tot licht beschaduwde standplaats
  • Ground: Is weinig kieskeurig, maar geeft de voorkeur aan matig tot voedselrijke, vochthoudende diepe (eventueel zandige) leem- en kleibodems, zowel licht zuur als kalkrijk.
  • Climate zone: 5a
  • Special features: Goed bestand tegen wind; Vrij goed bestand tegen strooizout; Verdraagt luchtvervuiling en stadsklimaat. Verdraagt zowel droogte als tijdelijke wateroverlast, maar vooral oudere bomen zijn gevoelig voor veranderingen in het grondwaterniveau. De zomereik kan vooral als zaailing en in de jeugdfase aangetast worden door echte meeldauw

Share this page