Sambucus nigra

Decoratief blad Lichte schaduw Bladverliezend Klein Eetbaar Opvallende vrucht Volle zon Opvallende bloei

Description

De gewone vlier, Sambucus nigra, is inheems in heel Europa van de Middellandse zee tot ver in Scandinavië, van de kust tot hoog in het Middelgebergte. In het wild groeit hij aan de rand van bossen, in de duinen en op braakliggende of verwaarloosde terreinen, zelfs in dakgoten en vervallen gebouwen, zowel op het platteland als in de stad.
De vlier is een grote heester of kleine boom met een ronde vorm die maximaal zo'n 6 m hoog wordt, maar nogal breed kan uitgroeien. In siertuinen en publieke aanplantingen wordt hij nog nauwelijks aangeplant, meer zelfs, hij wordt vaak beschouwd als een vervelend ‘onkruid’. Het is zeker niet de mooiste sierstruik of -boom, maar hij heeft toch een zekere charme met zijn bloemschermen in het begin van de zomer en de fraaie bessen in de herfst. Pas als de vlier bloeit, kan de zomer beginnen, zo luidt het gezegde. Bovendien komen er de laatste tijd steeds meer cultivars op de markt met een fraai donker- of bontgekleurd, of diep ingesneden bladeren die wel degelijk grote sierwaarde hebben. Ook heeft hij een rijke geschiedenis en vooral een rijke keukentraditie.
In de Middeleeuwen werd de vlier beschouwd als de boom van de schande en de dood omdat hij gebruikt werd voor de executie van misdadigers. Het kruis van Christus zou volgens de overlevering gemaakt zijn van vlier (al zijn er nog minstens vier andere houtsoorten die ook die eer opeisen) en Judas zou zich aan een vlierstruik hebben verhangen. 
De vlier werd ook beschouwd als de favoriet van de heksen die tussen hun takken woonden. Daarom mocht een vlier niet omgehakt worden, anders zou de dader de wratten krijgen van de heks die er in woonde. Het hout mocht zeker nooit gebruikt worden als brandhout. En een wiegje gemaakt van vlier, was helemaal uit den boze want het zou de toorn van de heksen opwekken die zich zouden wreken op de baby.
Ondanks die kwalijke reputatie was de vlier voor onze voorouders een zeer nuttige plant en ontbrak hij op geen enkel boerenerf. Vaak vond men een boo

Shape

  • Growing habit: Grote heester of kleine boom, meestal meerstammig, met een ronde tot kegelvormige kroon. Kan tot 10 m hoog worden en ongeveer even breed. Kenmerkend zijn de steile scheuten aan de basis van de struik, waarop bij doorbuigen talrijke korte en lange twijgen opschieten.
  • Height: 4-10 m
  • Width: 3-7 m
  • Vigour: sterk
  • Root system: ongevoelig voor verdichting of verstoring

Leaf

  • Shape: tegenoverstaand, oneven geveerd, met twee tot zes deelbladen en één topblad; breed lancet- tot eivormige deelbladen, 6-10 cm lang, bladrand gezaagd.
  • Color: donkergroen, onderkant iets lichter
  • Fall color: geel
  • Special features: Verspreiden na kneuzing een onaangename geur; Voor veel dieren is het blad giftig vanwege cyaanverbindingen in het blad.

Flower

  • Shape: kleine stervormige, vijftallige bloempjes met een buisvormige kroon, vijf meeldraden, een onderstandig vruchtbeginsel en drie stempels. Ze zijn tweeslachtig. Ze staan in breed handvormige, platte schermen van 10 tot 15 cm breed aan het eind van lange takken.
  • Color: roomwit, helmknoppen geel
  • Point of time: vanaf eind mei tot half juni
  • Special features: Hebben een eerder onaangename, zoetig-weëige geur; zelffertiel, de bloemen worden door insecten zelden bezocht.

Fruit

  • Shape: Kleine (6-8 mm dik), bolronde, besachtige steenvruchten met drie bruinige zaden, in hangende vruchtschermen
  • Color: glanzend donkerrood tot zwart
  • Point of time: Rijpen vanaf september

Stem

  • Stem / bark: Lichtgrijze tot bruine schors, met talrijke scheurtjes. Onder de schors bevindt zich een tweede schors die lichtgroen van kleur is. Jonge twijgen grijsgroen, met talrijke opvallende poriën, diep gegroefd en kurkachtig, nauwelijks verhout. Bij het ouder worden ze houtig, en krijgen een grijsbruine kleur, zijn wat wrattig van aspect en vertonen dan grove lengteribbels. De takken bevatten een zacht sponsachtig wit merg.

Cultivation requirements

  • Stand: Zon / Lichte schaduw
  • Ground: De vlier stelt weinig eisen, maar groeien het best op humusrijke, vochthoudende, stikstofrijke gronden die niet te nat of te droog zijn. De pH mag licht zuur tot licht alcalisch zijn (6 tot 7,5). Op arme droge grond kwakkelt ze.
  • Climate zone: 5a
  • Special features: Zeer goed bestand tegen luchtverontreiniging en stadsklimaat; goed windbestendig; verdraagt strooizout, verdraagt sterke snoei; gevoelig voor langdurige droogte.

Share this page