Sequoia gigantea (Sequoiadendron giganteum )

Decoratief blad Lichte schaduw Zure grond Kalkhoudende grond Groot Decoratieve schors Wintergroen Volle zon

Description

De Mammoetboom of Reuzensequoia, Sequoiadendron giganteum, is de enige nog levende soort van het geslacht Sequoiadendron. Het is, zoals Mammoetboom en de soortnaam giganteum perfect weergeven, een gigantische boom. In zijn natuurlijke verspreidingsgebied in het zuiden van Californië komen exemplaren voor van meer dan 70 m. Het is qua volume de grootste boom ter wereld. De ‘General Sherman’, de grootste onder hen, is meer dan 80 meter hoog met een stamomtrek van ruim 25 meter en een stamvolume van bijna 1500 kubieke meter. Zijn leeftijd wordt op 2100-2200 jaar geschat.
De Mammoetboom komt van nature voor in een dunne strook van 300 km lang op de westelijke hellingen van het Sierra Nevada gebergte (Californië, VS) op hoogtes van 900 tot 2440 meter. De meeste gebieden zijn nationaal park (zoals het Sequoia National Park).
In tegenstelling tot de verwante Sequoia sempervirens gedijt hij zeer goed in Europa. Sinds zijn introductie in de negentiende eeuw zijn vele duizenden mammoetbomen in Europa aangeplant. In veel parken, arboretums en (voormalige) kasteeldomeinen zijn vaak prachtige exemplaren te vinden. Ondanks hun relatief jonge leeftijd, zijn het ook hier majestueuze bomen die gemakkelijk 40-50 m hoog kunnen worden, met een stamomtrek van meer dan 7 m. In Polen, Finland, Zweden en Rusland zijn de strenge continentale winters blijkbaar te streng voor de mammoetboom. In Zuid-Europa Zuid-Europa verhinderen de droge zomers van het mediterrane klimaat de groei, tenzij ze 's zomers regelmatig bevloeid worden. In Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk en het voormalige Joegoslavië groeien ze meestal op grotere hoogtes waar mildere temperaturen heersen.
De Mammoetboom is een zeer statige boom met een dikke, doorgaande stam en een hoge smalle kegelvormige kruin. De toptakken zijn opgericht, terwijl de takken onderaan neerhangen met opgerichte toppen. Bij vrijstaande bomen hangen de takken tot tegen de grond.
Hij onderscheidt zich op verschillende punten van de ve

Shape

  • Growing habit: Monumentale boom met een zeer dikke, cilindrische stam en een grote en hoge, nogal smalle kegelvormige kruin. De stam begint breed onderaan, met dikke wortellijsten, en versmalt na ongeveer 2 meter. De toptakken zijn opgericht, terwijl de takken onderaan neerhangend zijn met opgerichte toppen. Bij jongere bomen (tot ong. 10 m hoogte) zijn de onderste takken nog niet neerhangend en is de kruin een nagenoeg perfecte smalle kegel. Bij oudere bomen wordt de top steeds minder spits en meer afgevlakt. Solitair staande bomen behouden hun onderste takken die tot op de bodem hangen en wortel kunnen schieten. In bossen verliezen de bomen na zowat 100 jaar hun onderste takken, en wordt de stam kaal tot zowat 30 m hoogte.
  • Height: 30-50 m
  • Width: 8-12 m
  • Vigour: zeer sterk
  • Root system: gevoelig voor verharding en verdichting

Leaf

  • Shape: scherp gepunte, langwerpig driehoekige schubbladeren, 4 tot 7 mm lang; staan spiraalvormig, elkaar overlappend, dicht op de twijgen, bij oudere takken meer afstaand met ingekromde top
  • Color: eerst grijsgroen, later donkergroen of blauwgroen
  • Fall color: wintergroen
  • Special features: Blijven een viertal jaren aan de boom

Flower

  • Shape: mannelijke katjes eivormig, aan de top van kleinere zijloten; vrouwelijke eivormig, aan de top van de loten
  • Color: vrouwelijke bloemen geelachtig
  • Point of time: Vanaf oktober, het stuifmeel komt in de lente vrij
  • Special features: Eenhuizig

Fruit

  • Shape: Kleine eivormige houtige kegels, 4 à 6 cm lang en 3 à 4 cm breed; met 30-50 spiraalvormig gerangschikte, ruitvormige schubben met een horizontale groef in de schubtop, zeer dicht gesloten; in het eerste jaar rechtopstaand, vanaf het tweede jaar hangend aan lange steeltjes aan de hoofdtwijgen, vooral bovenaan in de boom; ze kunnen honderden kleine zaadjes bevatten.
  • Color: eerst groen, uiteindelijk bruin
  • Point of time: Ze rijpen in 18-20 maanden, maar rijpe kegels kunnen tot twintig jaar gesloten blijven voor ze hun zaden loslaten wanneer ze uitdrogen door insectenvraat of grote hitte (bosbranden).

Stem

  • Stem / bark: Zeer dikke, vezelige en zacht aanvoelende, roodbruine schors met diepe ronde groeven. De twijgen zijn dicht bezet met schubnaalden, als de bladeren afvallen zijn ze roodbruin met een schilferige bast; knoppen klein, zonder schubben.

Cultivation requirements

  • Stand: Een zonnige of licht beschaduwde, eerder koele standplaats, beschermd tegen koude wind; jonge bomen verkiezen een lichtbeschaduwde standplaats.
  • Ground: Een diepe, matig voedzame en goed gedraineerde, losse bodem, zowel zuur als kalkrijk.
  • Climate zone: 6b
  • Special features: Jonge bomen kunnen last hebben van vorstschade, vooral op zware bodems; Zeer windvast; Zeer goed bestand tegen stedelijke omgeving. Moeilijk verplantbaar

Share this page