Rhamnus cathartica

Decoratief blad Lichte schaduw Kalkhoudende grond Bladverliezend Klein Giftig Opvallende geur Volle zon Opvallende bloei

Description

De Wegedoorn (Rhamnus cathartica) is een bladverliezende heester of kleine boom die in heel Europa voorkomt, maar niet in het Middellandse Zeegebied. Hij groeit van nature op vochtige, kalk- of leemhoudende grond in loofbossen en struwelen. In Nederland is de wegedoorn vrij zeldzaam, maar komt wel voor in kalkrijke duinen, in de Achterhoek en Zuid-Limburg. In Vlaanderen is hij zeldzaam en komt hij vooral voor aan de kust en in de Maasvallei. In de duinen vormt hij een plantengemeenschap samen met wilde roos, zuurbes, eenstijlige meidoorn, duinroos en kardinaalsmuts.
De wegedoorn behoort tot de wegedoornfamilie (Rhamnaceae). Hij is zeer nauw verwant met de bekendere Vuilboom of Sporkehout (Frangula alnus of Rhamnus frangula). Wegedoorn is meestal groter dan sporkehout. De twijgen eindigen vaak in takdorens.
De naam 'Rhamnus' komt van het Griekse woord 'rhamnos' wat 'tak' betekent, maar destijds gebruikt werd voor diverse gedoornde struiken. Catharticus betekent purgerend. Net zoals het Sporkehout worden de gedroogde bast en de bessen van de wegedoorn traditioneel gebruikt als een laxerend middel.
Het hout heeft lichtgeel spinthout rond een roodbruine kern. Het is hard en taai en toont op de doorsnede een gevlamde structuur. Het is geschikt voor klein snij - en draaiwerk.
Omdat deze plant dienst doet als waardplant voor een schimmel die onder andere haver sterk kan aantasten, mag wegedoorn in vele landen niet binnen een afstand van 200 m van een landbouwbedrijf worden aangetroffen. De aantasting is te herkennen aan oranjekleurige plekken met stippen op de bladeren.
De Wegedoorn is een waardplant voor de rupsen van de citroenvlinder.

Shape

  • Growing habit: Struik of kleine kortstammige boom met een losse, weinig vertakte, wat onregelmatige ronde kroon die hoger dan breder uitgroeit. De twijgen eindigen in doorns.
  • Height: 2-6 m
  • Width: 2-4 m
  • Vigour: vrij traag groeiend
  • Root system: gevoelig voor verdichting; kan uitlopers vormen

Leaf

  • Shape: Enkelvoudig, tegenoverstaand; ovaal tot omgekeerd eirond, met toegespitste top en een wigvormige voet, 4-7 cm lang; fijn gekartelde bladrand; veernervig met drie tot vijf paar gebogen en duidelijk zichtbare nerven; De bladtop is vaak enigszins gedraaid.
  • Color: glanzend lichtgroen
  • Fall color: geel
  • Special features: De bladknoppen hebben een duidelijke, bruinviolette knopschub met gefransde randen

Flower

  • Shape: Kleine één of tweeslachtige bloemen, ong. 4 mm groot, kelkvormig, met vier kelk- en kroonbladeren en een bovenstandig vruchtbeginsel; staan met twee tot acht in schermpjes bij elkaar in de bladoksels van de bovenste bladeren van de jongere takken
  • Color: groenachtig geel
  • Point of time: mei-juni
  • Special features: Zoet geurend.Bloeit zeer overvloedig, goede bijenplantMeestal tweehuizig, d.w.z. dat ze uitsluitend mannelijke of vrouwelijke bloempjes dragen.

Fruit

  • Shape: kogelronde steenvruchten met twee tot vier zaden, 0,6 tot 0,8 cm groot, staan in kleine trosjes bij elkaar
  • Color: aanvankelijk geelgroen, later worden ze glanzend zwart
  • Point of time: rijpen in augustus-september

Stem

  • Stem / bark: De gladde schors is bij jonge boom groen, later donkergrijs, gegroefd en bespikkeld met veel kurkporiën. Met het ouder worden krijgt de schors een steeds donkerdere kleur.

Cultivation requirements

  • Stand: Zonnige tot licht beschaduwde standplaats
  • Ground: verkiest een eerder droge, vruchtbare, kalkhoudende tot neutrale grond.
  • Climate zone: 4
  • Special features: Groeit op elke grond; verdraagt zeer goed luchtvervuiling; goed bestand tegen droogte; verdraagt strooizout; zeer geschikt voor kuststreken.

Share this page